De toenemende complexiteit van collectiemanagement

door: Trix Bakker


"Some of the most important collection management skills will call for us to be aware of changes in publications and technologies, aware of changes in our user environment, and to be flexible enough to adapt to these changes within an increasingly tightened timeframe." (Hitchingham, 1996, p. 41) 1



Een terugblik

In de jaren ´60 kregen universiteiten en wetenschappelijk bibliotheken in Nederland dankzij de economische hoogconjunctuur relatief veel geld voor onderwijs en onderzoek. Goede, sterke - indien mogelijk complete - collecties werden gezien als noodzakelijke peilers van kwalitatief hoogwaardige opleidingen en onderzoekscentra. Faculteiten (afzonderlijke leden of een bibliotheekcommissie) waren verantwoordelijk voor de collectievorming. In de jaren ´70 kwam hierin verandering, omdat de faculteiten niet over genoeg mankracht beschikten om, naast het vele onderzoek en de toenemende publicatiedwang, ook het noodzakelijke materiaal op te sporen en aan te schaffen. Dit leidde tot professionalisering van de collectievorming. ´Onderwerpsspecialisten´ of wel vakreferenten kregen de verantwoordelijkheid voor de collectievorming. Dit wil niet zeggen dat de faculteiten geen rol meer spelen in de collectievorming. Vakreferenten onderhouden in principe intensief contact met hun klantenkring, medewerkers en studenten van de de faculteit (faculty liaison) om de collectievorming af te kunnen stemmen op de ontwikkelingen in het onderwijs en onderzoek.

De bloeiperiode was echter van korte duur. Begin jaren ´70 werd duidelijk dat de wetenschappelijke bibliotheken afzonderlijk de enorme toevloed van gespecialiseerde wetenschappelijke publicaties onmogelijk konden blijven aanschaffen. Het streven naar volledigheid werd losgelaten, vooral toen de overheid in de jaren ´80 een aantal drastische bezuinigingsoperaties doorvoerde op het terrein van wetenschappelijk onderwijs, die vooral de klassieke universiteiten (Groningen, Leiden, Nijmegen, Utrecht en tweemaal Amsterdam) zwaar troffen. Deze problematiek werd en wordt versterkt door de jaarlijkse prijsstijgingen van tijdschriftenabonnementen van gemiddeld 10%, die nauwelijks of niet gecompenseerd worden, en de sterke toename van elektronische informatiebronnen, met de bijkomende kosten om ze op een gebruikersvriendelijke manier aan te bieden.

Door de stagnerende bibliotheekbudgetten werd de nadruk op het ontwikkelen van grote lokale onderzoekscollecties (de ´zelfgenoegzame´ bibliotheek) verlegd naar het ontwikkelen van representatieve lokale onderzoekscollecties (= kerncollecties) voor de primaire gebruikersgroep. Bovendien werd het accent verschoven naar het ontwikkelen van middelen die toegang bieden tot onderzoeksmateriaal dat ook elders of op andere media is opgeslagen (de ´virtuele wetenschappelijke bibliotheek´). Het actief toegang verschaffen tot de wereldwijde voorraad van openbaar vastgelegde wetenschappelijke kennis is vanaf begin jaren ´90 de essentie geworden van wat een bibliotheek te bieden heeft. De eigen collectie maakt deel uit van deze kennisvoorraad, maar is nog slechts één van de peilers onder de bibliotheek. Een collectie bevindt zich niet meer per se tussen vier muren, maar biedt toegang tot vele andere informatiebronnen. De slogan "van collectie naar connectie" geeft dit proces goed weer. Hierbij hoort ook een meer klant- of marktgerichte opstelling. In plaats van informatieverzamelaars worden bibliotheken informatiebemiddelaars en stellen zich marktgerichter op, werven fondsen, en vragen een redelijke (kostendekkende) vergoeding voor de geleverde dienstverlening. Er is een toenemend bewustzijn van informatie als gebruiksartikel, als koopwaar. De mate van succes van de bibliotheek als informatiebemiddelaar wordt afgemeten aan haar klantgerichte dienstverlening die een toegevoegde waarde heeft in de vorm van gebruik(er)svriendelijk ontsluiten van de overdaad aan informatie en maatwerk leveren tegen een redelijke prijs. Wanneer bibliotheken zich niet actief opstellen als informatiecentra lopen ze de kans hun positie als informatiebemiddelaar te verliezen aan de commerciële informatiediensten. Er is een sterke toename van leveranciers, zoals host-organisaties en uitgevers, die hun produkten in elektronische vorm direct beschikbaar stellen via het Internet. Voor de gebruiker is dit aantrekkelijk zolang het betaalbaar blijft.

Van collectievorming naar collectiemanagement

Bibliotheken bestaan dus niet meer alleen bij de gratie van hun collecties, maar bieden in toenemende mate toegang tot elektronische informatiebronnen, zoals: cd-roms, de Online Publiekscatalogus (OPC), andere online catalogi (o.a. via het Open Bibliotheek Netwerk), bestanden met inhoudsopgaven van tijdschriftafleveringen waarvoor de bibliotheek een licentieverdrag heeft afgesloten met de uitgever, bestanden die tegen betaling doorzoekbaar en te ´downloaden´ zijn en het Internet. Hierdoor neemt de vraag naar informatie toe en stellen gebruikers steeds hogere eisen aan de toegangsmechanismen. De gebruiker wil bijvoorbeeld niet alleen inhoudsopgaven, maar ook samenvattingen en het liefst de volledige tekst die gedownload kan worden. Het aanbod neemt aanzienlijk toe en verhoogt de druk op de bibliotheken om - indien mogelijk in consortiumverband - een licentie af te sluiten met commerciële uitgevers (zoals Elsevier, Kluwer, Springer, High-Wire Press en Academic Press) en organisaties (zoals JSTOR en Project Muse). Hoewel bibliotheken primair een taak te vervullen hebben binnen hun eigen instelling, maken zij ook deel uit van een landelijk bestel. De wetenschappelijke bibliotheken in Nederland vormen met elkaar een distributienetwerk van informatie. Bibliotheken werkten al langer samen op het gebied van interbibliothecair leenverkeer (IBL), maar dit was meer een ad hoc aanvulling op de relatief rijke collecties. De ontwikkeling van lokale autonomie en zelfgenoegzaamheid naar meer formele samenwerking begint in Nederland zijn vruchten af te werpen in de vorm van een sterk verbeterd IBL volgens afgesproken tarieven, een grotere bereidheid tot afstemming van de collectievorming, gezamenlijke digitaliserings- en conserveringsprojecten zoals het project Metamorfoze en gezamenlijke licenties in UKB-verband2. Dit gebeurt vooral om de dienstverlening aan de eindgebruikers te verbeteren.

Collectievorming ondergaat door deze ontwikkelingen grote veranderingen. Het is een complex proces geworden waarbij planning een steeds grotere plaats inneemt. Dit komt beter tot uitdrukking in de bredere term ´collectiemanagement´. Een collectiemanagement-programma omvat de volgende onderling samenhangende activiteiten:

  1. Planning en beleidsvorming
  2. Collectiebeschrijving en -evaluatie
  3. Selectie van de verschillende materiaalsoorten
  4. Optimalisering van de collecties
  5. Beheer van de financiën
  6. De gebruiker centraal
  7. ´Resource sharing´ en afstemming van de collectievorming (CvC)

1. Planning en beleidsvorming

Door de enorme toename van het aanbod in zowel gedrukt als elektronische vorm, de veranderende en toenemende behoeften van gebruikers, de stagnerende of afnemende budgetten en de overvolle magazijnen ging men vanaf het midden van de jaren ´70 het belang inzien van een beleidsplan voor de collectievorming3. Bibliotheken zijn er ook meer en meer van doordrongen dat zij hun financiers en gebruikers duidelijk moeten kunnen maken waar ze voor staan. Een beleidsplan voor de collectievorming kan bestaan uit de volgende onderdelen:

Een beleidsplan voor de collectievorming vervult zowel interne als externe functies.
De interne functies zijn:

De externe functies zijn:

Een beleidsplan moet regelmatig worden bijgesteld om veranderingen in onderwijs- en onderzoek, in de financiële situatie, in informatiebehoeften, in samenwerkingsovereenkomsten en dergelijke te verdisconteren. Ook al zijn wijzigingen niet altijd noodzakelijk, de discussies die door een eventuele herziening worden uitgelokt, zijn in ieder geval van nut voor de direct betrokkenen, omdat zij hierdoor meer inzicht krijgen in de collecties en de collectie-aanwas.

2. Collectiebeschrijving en -evaluatie

Er is grote behoefte aan Management Informatie Systemen (MIS), dat wil zeggen systemen die managementinformatie op een overzichtelijke wijze weergeven. Belangrijke gegevens voor collectievorming zijn: de uitgaven voor het onderhouden van de - actuele én virtuele - collecties (aanschaf, bindkosten, licentiekosten, en dergelijke), jaarlijkse aanwas, gemiddelde prijzen per onderwerp of vakgebied, de veranderende aard of samenstelling, de toe- of afname van kwaliteit, het gebruik en niet-gebruik (´nietenlijst´) en dergelijke. De relatie aanschaf-gebruik krijgt de laatste jaren steeds meer aandacht, omdat men de schaarse financiële middelen zo effectief mogelijk wil besteden. Een collectie-evaluatie kan collectie- of gebruik(er)sgericht zijn.

Collectiegerichte evaluatiemethodes zijn ontwikkeld om de omvang of diepte van (een onderdeel van) een collectie te bepalen. Dit gebeurt vaak in vergelijking met een externe maatstaf. Deze methodes zijn bedoeld om de inherente kwaliteit van de collecties vast te stellen. Deze tracht men af te leiden uit:

  1. gebruiksstatistieken: de kwantiteit;
  2. subjectieve beoordeling door deskundigen: de kwaliteit;
  3. citaatonderzoek, list-checking, bibliografieën: de kwaliteit;
  4. overlap-onderzoek: de diversiteit.
De Conspectusmethode is een combinatie van verschillende evaluatietechnieken, met name subjectieve beoordeling en list-checking. Eind jaren ´70 ontwikkelde de Research Libraries Group (RLG) de Conspectus. Sindsdien wordt deze methode in veel landen, ook in Nederland, gebruikt om collecties en de huidige collectievorming per onderwerpsgebied te waarderen op een schaal van 0 (geen collectievorming) tot 5 (uitputtende collectievorming). De compilatie van deze gegevens levert een profiel op van de sterktes en zwaktes van de bestaande collecties en van de huidige collectievorming4. De Conspectusmethode biedt tevens de mogelijkheid om collecties en de collectievorming van bibliotheken per onderwerpsgebied - in Nederland wordt een indeling volgens de Nederlandse Basisclassificatie gebruikt - te vergelijken en op grond van deze beschrijvingen afspraken te maken over afstemming van de collectievorming.

Gebruik(er)sgerichte evaluatiemethodes zijn ontwikkeld om te bepalen of en hoe vaak, door wie en waarom een boek, tijdschrift, cd-rom, online bestand, of (een deel van) een collectie gebruikt is. Het accent kan liggen op het gebruik of de gebruiker. Een gebruiksonderzoek is gericht op het materiaal dat de bibliotheek aanbiedt en analyseert afzonderlijke titels, clusters van titels, of onderwerpsgebieden om te bepalen of en hoe vaak deze gebruikt worden. De gehanteerde methodes zijn:

  1. citaatonderzoek: de geregistreerde literatuurbehoeften van wetenschappers;
  2. uitleenstatistieken: de geregistreerde vraag;
  3. een ´nietenlijst´: de niet-beantwoorde vraag omdat het materiaal niet in Nederland aanwezig is.
Gebruikersstudies zijn belangrijke hulpmiddelen om systematisch informatie te verzamelen over verwachtingen en het gedrag van gebruikers, de manier waarop gebruikers de collecties benaderen, en welke beschikbare materialen zij selecteren. De gehanteerde methodes zijn: interviews en vragenlijsten.

Al deze methodes benaderen de collecties vanuit een bepaalde invalshoek en hebben elk hun beperkingen. Een combinatie van methodes levert een vollediger beeld op. Afhankelijk van het type bibliotheek gebruikt men een of meer methodes. Collecties van alfa-bibliotheken bijvoorbeeld fungeren als reservoir, waaruit de onderzoeker, nu of in de toekomst, moet kunnen putten ter ondersteuning van zijn/haar onderzoek. De gebruiksfrequentie van dergelijk gespecialiseerd materiaal is per definitie gering. Een dergelijke collectie kan dan ook het beste worden beoordeeld op haar inhoudelijke kwaliteit. Daarom zullen collectiegerichte methodes hier eerder op worden toegepast.

3. Selectie van materiaal

Een geïntegreerd aanbod van gedrukte en elektronische informatie leidt tot een nieuw collectiebegrip en tot nieuwe opties voor ´resource sharing´. De term ´collectie´ krijgt steeds meer de betekenis van een combinatie van actuele én virtuele collectie. Dat wil zeggen een combinatie van de collectie die men beheert en actualiseert én een verzameling van elektronische informatie waar de gebruiker gegarandeerd toegang toe heeft via de internationale netwerken en ´ergens´ op computers is opgeslagen. Collectievorming beperkt zich steeds meer tot de aanschaf of in licentie nemen van veel gevraagd materiaal (literatuur op die vakgebieden waarin onderwijs wordt gegeven en waarop onderzoek wordt verricht). Voor materiaal waar minder vraag naar is, zijn cd-roms en geleasde tapes die op de eigen server draaien wellicht een optie, terwijl voor weinig gevraagd materiaal - of als vervanging van dure abonnementen - goed leverende documentleverantiediensten kunnen worden ingeschakeld. Dit kan zowel het landelijke IBL via de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC/IBL-systeem) zijn, als commerciële diensten (zoals ingenta en Dialog).

Selecteren, één van de kerntaken van vakreferenten, is uitgebreid tot het selecteren van elektronisch materiaal (cd-roms, DvD's, online bestanden en Internetbronnen 5. Elektronisch materiaal wordt gekocht, in abonnement of licentie genomen, of er wordt slechts de toegang toe geregeld (´collecting as connecting to resources´). Dergelijke beslissingen worden merendeels in overleg met collega´s van andere afdelingen genomen. Dit neemt niet weg dat een vakreferent niet alleen op de hoogte moet zijn van de onderzoeks- en onderwijsprogramma´s van de instelling en van het informatie-aanbod, maar hij/zij ook vertrouwd moet zijn met computers en computerprogramma´s, met het gebruik van cd-roms, online databanken, het Internet en documentleverantiediensten. Het volgen van cursussen is hierdoor onontbeerlijk geworden om het gevarieerde werk naar behoren te kunnen doen. Trainingen in het zoeken in specifieke databestanden zijn uitgebreid met specifieke Internetcursussen. Speurtochten op het Internet leveren veel ruis op, maar ook veel waardevolle informatie. Het is in principe een taak van vakreferenten om uit de overdaad aan informatie slechts die bronnen te selecteren (´filteren´), die relevant zijn voor de gebruiker en deze toegankelijk te maken. Het IWI-project Nederlandse Basisclassificatie Web (NBW), in augustus 1997 omgedoopt tot DutchESS, Dutch Electronic Subject Service is hier een goed voorbeeld van. DutchESS, opgezet door de Koninklijke Bibliotheek (KB) is nu een operationele dienst die in samenwerking met 7 andere wetenschappelijke bibliotheken gratis Internetbronnen selecteert en ontsluit - via de Nederlandse Basisclassificatie - voor een wetenschappelijke doelgroep: studenten en wetenschappelijk onderzoekers. Om de kwaliteit van DutchESS te waarborgen is er een opnamebeleid ontwikkeld, evenals kwaliteitscriteria op inhoudelijk, formeel en technisch gebied. Het opnamebeleid schrijft voor welke (typen) bronnen wel en niet voor DutchESS in aanmerking komen en op basis van welke criteria de beoordeling plaatsvindt. Hieruit zijn de praktische richtlijnen afgeleid voor vakspecialisten, redacties en onderhoudsmedewerkers. Deze richtlijnen zijn de vinden in de DutchESS Manual : handleiding voor vakspecialisten. De bronnen worden geselecteerd en geannoteerd door de vakreferenten van de deelnemende bibliotheken en instellingen. Een dergelijke vorm van samenwerking biedt de gebruiker de garantie dat het gebodene goed wordt onderhouden en substantiële informatie biedt. In Europees verband houdt de KB zich ook bezig met de ontsluiting van Internetbronnen. DutchESS maakt met de KB als projectleider onderdeel uit van het Europese project Renardus, waaraan 11 partners uit Frankrijk, Duitsland, Engeland, Denemarken, Zweden en Finland deelnemen. Het project loopt van januari 2000 tot juni 2002. De voornaamste doelstelling van Renardus is het ontwikkelen van een 'broker service', d.w.z. een dienst die via één interface toegang biedt tot verschillende 'quality information gateways' of 'portals' op het Internet. De Renardus broker zal zowel geïntegreerd zoeken als geïntegreerd browsen in de verschillende gateways of diensten mogelijk maken via een gedistribueerde architectuur. Dit betekent dat iedere dienst, dus ook DutchESS, een eigen Renardus server inricht. De broker benadert de Renardus servers van de verschillende diensten via het Z39.50 protocol. Het streven is om in september 2001 een pilot dienst te kunnen bieden. 6.

Het evalueren van Internetbronnen krijgt steeds meer aandacht. Zowel in gedrukte vorm als op het Internet verschijnen er besprekingen en attenderingen van wetenschappelijke Web pagina´s. Bijvoorbeeld het wekelijkse Scout Report, de maandelijkse "Internet reviews" en "Internet resources" in College & Research Libraries News. De maandelijkse WebWatch column in Library Journal en de maandelijkse Internet Resources Newsletter van de Heriot-Watt University.

"Precisely because no one can keep up with all the discussion groups, all the new Web sites, and all the online libraries, people who will do preliminary screening and point others toward promising sites have an increasingly valuable service to sell." (Fallows, 1996) 7

Selectiecriteria voor gedrukte informatie en Internetbronnen vallen gedeeltelijk samen: wetenschappelijke kwaliteit, relevantie voor onderwijs en onderzoek, beantwoordend aan de (potentiële) vraag en/of passend in het collectievormingsprofiel van de eigen instelling. Daarnaast zijn er specifieke criteria die voortvloeien uit de specifieke aard van elektronische documenten, zoals: gebruikersvriendelijkheid, toegankelijkheid, presentatie, organisatie, diepgang, juistheid van de hyperlinks, doorzoekbaarheid en actualiteit.

4. Optimalisering van de collecties

De centrale taak van een bibliotheek is informatiebronnen - of het nu boeken, collecties, cd-roms, videotapes, of online bestanden zijn - beschikbaar stellen aan gebruikers. De lokale collecties (het bezit) moeten zo gebruik(er)svriendelijk mogelijk worden aangeboden en zoveel mogelijk via de OPC. Retrocatalogisering is dan ook van het grootste belang wil men de collecties optimaal kunnen aanbieden. Bovendien moet het materiaal daadwerkelijk raadpleegbaar zijn (´preservation of information in an accessible form´). Een boek kan bijvoorbeeld in een zodanige staat verkeren dat het uit elkaar valt of verkruimelt. In het eerste geval is wellicht restauratie nog mogelijk, maar in het tweede geval moet het op een andere drager worden overgezet, bijvoorbeeld op microfilm of in digitale vorm op een computer server, zodat in ieder geval de inhoud bewaard blijft. Zo werken nationale en andere grote bibliotheken in Europa samen door materiaal dat op gestandaardiseerde wijze op microfilm is/wordt gezet te registreren in een internationale database. Deze European Register of Microfilm Masters (EROMM) database bestaat uit meer dan 2,3 miljoen records van microfilm masters. Meer dan de helft van de verfilmde boeken is gepubliceerd tussen 1840 en 1950, maar ook een aanzienlijk aantal in de 17de en 18de eeuw. De database is vooral van belang wanneer een bibliotheek bepaalde documenten op microfilm wil gaan zetten. Door de database te raadplegen voorkomt men dat een boek nogmaals wordt verfilmd, wat een kostbare aangelegenheid is. Blijkt de titel al verfilmd te zijn, dan kan men een gebruikerskopie bestellen voor gebruik in eigen bibliotheek. De universiteitsbibliotheek Göttingen is sinds 1994 de EROMM-databasebeheerder. De database draait op een Pica-systeem op een Tandem-computer, zodat EROMM participanten gebruik kunnen maken van Pica/IBW software om toegang tot het bestand te krijgen en records te downloaden om kopieën te catalogiseren in hun lokale bestand. In het najaar 1993 heeft de Koninklijke Bibliotheek, in samenwerking met Pica, het Netherlands Register of Microfilm Masters (NROMM) project gestart. De NROMM beschrijvingen vormen de Nederlandse bijdrage aan het EROMM project. In 1996 heeft EROMM een overeenkomst gesloten met de Research Llbraries Group om records van microfilm masters uit te wisselen. Sinds 1997 ontvangt EROMM records van LAROMM (Latin American Register of Microfilm Masters), de database-host die data verzamelt van de Latijns-Amerikaanse nationale bibliotheken. Behalve microverfilming wordt er steeds meer aandacht besteed aan (retro-)digitalisering. De gebruiker wil het liefst direct toegang tot benodigde informatiebronnen via het Internet. Microverfilming kan hierin een rol spelen, want verfilmde informatie is lang houdbaar en wanneer dit goed is gedaan dan is digitalisering van dit materiaal de volgende stap. Natuurlijk kan het materiaal ook direct gedigitaliseerd worden en aan de gebruiker aangeboden. Het is evenwel zaak dat ook dergelijke - kostbare - projecten geregistreerd worden om dubbel werk te vermijden. Het Europese project DIEPER is opgezet om tijdschriften die in Europa volgens bepaalde standaarden worden ge(retro)digitaliseerd te registreren.

Een andere - en al langer bestaande - aanpak om het probleem van ´verzwakt´ papier, daterend uit de periode 1840-1950, te lijf te gaan is ontzuring in de vorm van massaconservering. Ook deze methode krijgt (inter-)nationaal veel aandacht. Er zijn dure massa-conserveringtechnieken ontwikkeld, die alleen op grote schaal worden toegepast om nog enigszins kosteneffectief te zijn en worden vaak gesubsidieerd door speciale stichtingen.

Met behulp van de huidige technieken kunnen bibliotheken zelf wereldwijd hun unieke collecties (bijvoorbeeld lokale geschiedenis, briefwisselingen, oude ansichtkaarten, oude tijdschriften), boeken, databanken en dergelijke elektronisch aanbieden. Een overzicht van digitaliseringsprojecten bij grote onderzoeksbibliotheken wordt geboden door de Directory of Electronic Text Centers. Een mooi voorbeeld van samenwerking op het gebied van collectiemanagement is JSTOR, een non-profit organisatie in de VS. Aanleiding tot dit project waren de overvolle magazijnen die voor meer dan 25% gevuld waren met oudere jaargangen van wetenschappelijke tijdschriften en overheidsdocumentatie. De deelnemende bibliotheken werden voor de keus gesteld: nieuwe opslagplaatsen bouwen, het materiaal opslaan in verafgelegen locaties, of digitaliseren van het materiaal om opslagruimte vrij te maken. De kosten zouden gedeeld kunnen worden, omdat het te digitaliseren materiaal in veel van de bibliotheken aanwezig is en elke bibliotheek er baat bij heeft - zelfs geld bespaart - vanwege de vrijkomende opslagruimte8. Aanvankelijk gesponsord door de Andrew W. Mellon Foundation, begon men in de zomer van 1995 als zelfstandige not-for-profit organisatie met een pilot project om 10 tijdschriften op het gebied van economie en geschiedenis (750.000 pagina's), gepubliceerd voor 1990, te digitaliseren. De JSTOR-database bevindt zich op de servers van de universiteit van Michigan en van Princeton (met een mirror site op de server van de universiteit van Manchester, Verenigd Koninkrijk, sinds 1999) en heeft een zoek- en bladerfaciliteit. Iedere geauthoriseerde gebruiker, waar hij zich ook maar bevindt, kan artikelen opsporen en printen. In juni 2001 had JSTOR 139 belangrijke tijdschrifttitels in (alpha- en gamma-)vakgebieden vanaf de eerste jaargang gedigitaliseerd en ontsloten. Daarnaast ook een 7-tal titels op het gebied van exacte wetenschappen en 29 titels op de vakgebieden ecologie en plantkunde. JSTOR heeft een archieffunktie, want recente jaargangen (3-5 jaar) vallen onder de inkomstenstroom van de uitgevers. De tijdschriften die uitgevers ook elektronisch uitgeven worden qua index gekoppeld aan de JSTOR-database, zodat de gebruiker alle jaargangen kan doorzoeken. Voor de wetenschapper is dit een waardevolle en betrouwbare bron van informatie en voor de docent een mooi instrument om studenten te stimuleren ook oudere artikelen te lezen en hen zo meer historische bagage mee te geven9.

Door de ontwikkeling van de nieuwe media voor informatie-opslag is er echter een probleem bijgekomen, namelijk het toegankelijk houden van elektronisch materiaal. Bibliotheken schaffen zij nog steeds verschillende off-line formaten aan (cd-roms, optische schijven, magnetische banden en diskettes). Niet alleen de hardware en de opslagmedia, maar ook de software die nodig is om de informatie te ontcijferen veroudert snel. Daarom moeten ook alle bijbehorende handleidingen bewaard worden. Bijkomende problemen zijn de instabiliteit van magnetische media (audio- en videobanden), gevoeligheid van het materiaal en de specifieke eisen waaraan de opslagruimte moet voldoen: stofvrij, geklimatiseerd, schone en droge lucht. Om toegang tot de informatie te verzekeren kan men het beste de apparatuur zolang houden tot er andere apparatuur beschikbaar is waarop de geherformatteerde data toegankelijk zijn. Men moet dus regelmatig de gegevens overzetten om de toegang ertoe te garanderen (´refreshment´). Standaardisatie is op dit terrein hoogst noodzakelijk. Een ander (nog) onopgelost probleem is het archiveren van elektronisch materiaal - met name op het Internet - en het zeker stellen dat belangrijke wetenschappelijke publicaties nog beschikbaar zijn voor de volgende generatie onderzoekers. In de VS zijn bijvoorbeeld 12 grote wetenschappelijke bibliotheken, behorende tot het Committee on Institutional Cooperation (CIC), actief in het selecteren, catalogiseren, onderhouden, beschikbaar stellen én archiveren van zowel gratis toegankelijke tijdschriften als betaalde tijdschriften (in overleg met de uitgevers) op het Internet. Ook tijdschriftenagenten zijn actief op dit gebied. Bijvoorbeeld William S. Hein & Co, Inc kan gezien worden als leider in het preserveren - d.w.z. microverfilmen of digitaliseren - van retrospectief rechtskundig materiaal (tijdschriften, monografieën en overheidspublicaties). Naar verwachting zullen abonnees eind 2001 online toegang hebben tot meer dan 225.000 rechtswetenschappelijke recensie artikelen en per jaar zullen er 2 miljoen pagina's aan Hein-On-Line worden toegevoegd. Hiermee is echter het wereldwijde aanbod niet gedekt. Wie is verantwoordelijk voor de blijvende beschikbaarheid van oorspronkelijke documenten? De bibliotheek die slechts een licentie heeft om de gegevens te gebruiken? De uitgever, ook als de bestanden geen economische waarde meer hebben? De nationale bibliotheek?

De Koninklijke Bibliotheek oriënteert zich op de depotproblematiek van de in Nederland verschijnende elektronische publicaties. In april 1996 is het IWI-project Nationaal Depot Elektronische Publicaties (DNEP) gestart en is op 1 januari 1998 afgesloten. Gezien het landelijke belang ondersteunde IWI (Innovatie Wetenschappelijke Informatievoorziening) de KB in het onderzoek van de mogelijkheden, waarbij het verlenen van diensten aan gebruikers op basis van het depot een belangrijk aandachtspunt vormt 10. Ook buitenlandse nationale bibliotheken zijn op dit terrein actief. Het samenwerkingsproject van Europese nationale bibliotheken (NEDLIB), lopend van 1 januari 1998 tot 31 december 2000, resulteerde in een functioneel ontwerp waar verder op voortgebouwd kan worden.

5. Beheer van de financiën

Bibliotheken worden al jaren geconfronteerd met een stijgend aanbod van gedrukte informatie en forse prijsverhogingen. Tegelijkertijd zijn substantiële bedragen vereist voor investeringen in informatietechnologie en de bijbehorende infrastructuur, voor de aanschaf van en/of het bieden van toegang tot elektronische informatiebronnen en bijscholing van personeel en gebruikers. De aanschafbudgetten komen onder steeds groter druk te staan en er worden zelden of geen extra middelen ter beschikking gesteld. De taart moet in plaats van in tweeën (gedrukte tijdschriften en boeken) nu in drieën (tijdschriften, boeken én elektronisch materiaal) gedeeld worden, terwijl er is aangetoond in een onderzoek dat de KB in 1995 heeft uitgevoerd, dat er onmiskenbaar een grote achterstand en verschraling in de buitenlandse wetenschappelijke literatuurvoorziening in Nederlandse bibliotheken is ontstaan, met name op het gebied van de geesteswetenschappen 11. De koopkrachtdaling holt de collecties uit, zodat de beschikbaarheid van relevante informatiebronnen terugloopt. Het aanbod van elektronische informatiebronnen neemt evenwel enorm toe. De Association of Research Libraries (ARL) in de VS heeft gedurende de jaren 1991-1997 de groei van elektronische tijdschriften geregistreerd in de Directory of Electronic Journals, Newsletters and Academic Discussion Lists12. De eerste editie van de Directory beschrijft 110 online toegankelijke tijdschriften en nieuwsbrieven en 517 wetenschappelijke discussielijsten. De uitgave van 1997 beschrijft meer dan 3400 online toegankelijke tijdschriften en nieuwsbrieven en meer dan 3800 wetenschappelijke discussielijsten12. Vanaf 1996 werden ook tijdschriften opgenomen van traditionele, commerciële uitgevers zoals Academic Press, Chapman-Hall, Elsevier en Springer, die veel van hun titels ook online gingen aanbieden. Deze parallelle uitgaven betekenen veelal een prijsverhoging van de abonnementen van 10-40%. Om geld vrij te maken voor de aanschaf van of toegang tot deze en andere elektronische bronnen zullen er evenwel (nog) meer tijdschriften moeten worden opgezegd en minder boeken aangeschaft.

Enig soulaas zou wellicht geboden kunnen worden door een approval plan. In de VS is deze selectiemethode heel populair, 85% van de onderzoeksbibliotheken schaffen volgens deze methode aan. Bij de bibliotheek van de Technische Universiteit Delft maakt men hier ook gebruik van. Een approval plan is een contractuele verbintenis tussen een leverancier en de bibliotheek op grond van een gedetailleerd collectievormingsprofiel, opgesteld door de vakreferent die verantwoordelijk is voor één of meer vakgebieden. Een goed werkend approval plan staat garant voor 80% van de nieuwe aanwas. De overige 20% betreft de meer specialistische titels waar de vakreferent zijn/haar specifieke kanalen voor aanboort. De vakreferent beoordeelt het materiaal en mag titels teruggeven. Wanneer het aantal titels die teruggegeven worden meer is dan 10%, dan dient het profiel te worden herzien. Wereldwijd zijn er een aantal leveranciers die veel ervaring hebben met approval plans met name Harrassowitz en Yankee Book Peddler.
De voordelen van een approval plan zijn:

Hierdoor komt er tijd vrij voor bijvoorbeeld het opsporen van gratis toegankelijke Internetbronnen of via licenties te kopen toegang tot online bestanden, informatie-op-maat dienstverlening, maken van webpagina´s, volgen/geven van cursussen, gebruikersinstructies e.d.

6. De gebruiker centraal

Bibliotheken ontwikkelen zich - met instandhouding van hun klassieke bewaarfunctie - tot informatiecentra die de gebruiker via de netwerken toegang bieden tot een veelheid van informatiebronnen en -diensten (de ´virtuele bibliotheek´). Collectiemanagement richt zich op het actief aanbieden van - al dan niet elektronische - informatie aan de gebruiker. Meer dan voorheen wordt rekening gehouden met de behoeften van de primaire gebruikersgroep. Het is dan ook van belang deze gebruikers al in een vroeg stadium te betrekken bij het uittesten van online bestanden van een hostorganisatie waar de bibliotheek tijdelijk toegang toe heeft. Hun bevindingen zijn medebepalend in de besluitvorming om al dan niet toegang tot bestanden af te nemen. Belangrijke en essentiële taken zijn: goede structurering van het aanbod en snelle beschikbaarstelling. Gebruikers willen niet alleen gebruikersvriendelijke toegang tot informatiebronnen, maar ook snel over de gevraagde informatie beschikken tegen een redelijke prijs. Er is echter zo´n groot en gevarieerd aanbod van informatie dat de informatiebemiddelende en navigerende rol van de vakreferent onmisbaar is. Deze vorm van dienstverlening vereist specialisatie in bepaalde kennisgebieden, vanwege de toenemende specialisatie en differentiatie in de wetenschappen. Het thema "The teaching library" is zeer actueel. Niet alleen de bibliotheekmedewerker, de informatie-aanbieder heeft instructie nodig, maar ook de gebruiker. Zo is een deel van de huidige generatie gebruikers (met name studenten) al zo vertrouwd met de zoekinstrumenten op het Web (Alta Vista, Hotbot, Excite, Google en dergelijke), dat zij de OPC over het hoofd zien en hierdoor gemakkelijk toegankelijk en beschikbaar materiaal over het hoofd zien. Het is van belang hen hierop te attenderen om nodeloos zoeken en ´downloaden´ te beperken. Binnen Nederland worden er bij de meeste universiteitsbibliotheken cursussen ontwikkeld om de gebruiker op een gebruiksvriendelijke wijze te leren omgaan met het Internet. De bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam biedt bijvoorbeeld de webcursus Informatie Zoeken. Deze cursus leert studenten wetenschappelijke informatie via catalogi, de digitale bibliotheek en het Internet systematisch op te sporen. De Universiteitsbibliotheek Maastricht biedt een pagina die doorlinkt naar websites met gidsen en cursussen over informatie zoeken op het World Wide Web.

7. ´Resource sharing´ en afstemming van de collectievorming (CvC)

Een adequate nationale collectievorming is van het grootste belang om ook in de toekomst de Nederlandse informatie-infrastructuur ten behoeve van onderzoek en onderwijs in stand te houden. Bij gelijkblijvende budgetten dreigen in de collecties onaanvaardbare lacunes te ontstaan, want iedere bibliotheek onderhoudt nog slechts een basiscollectie voor eigen kring, zodat de breedte van het aanbod afneemt. Als mogelijke ´oplossing´ voor dit probleem wordt resource sharing opgevoerd, dat wil zeggen verbeterde toegang en documentleverantie, en coördinatie van de collectievorming (CvC). Het uitgangspunt van CvC is versterking door samenwerking. Het uiteindelijke doel van CvC is met de beperkte budgetten een grotere diversiteit van gespecialiseerde literatuur te kunnen bieden. Om dit te realiseren wordt ernaar gestreefd de onnodige overlap zoveel mogelijk tegen te gaan. Het resultaat zou moeten zijn dat, ondanks de achteruitgang van de lokale collecties, potentieel relevante specialistische literatuur ergens in den lande aanwezig is en goed en snel beschikbaar via het IBL, zodat wetenschappelijke onderzoekers en promovendi kunnen terugvallen op een toereikend collectie-aanbod. CvC vindt plaats binnen de bestaande budgetten, er worden geen extra middelen voor beschikbaar gesteld. De voorwaarden om tot CvC te komen zijn: instrumentarium, bereidwilligheid en financiële armslag. Inmiddels zijn er een aantal instrumenten ontwikkeld - het Gemeenschappelijk Geautomatiseerd Catalogussysteem (GGC), de Nederlandse Basisclassificatie, de Conspectusmethode en AnaCoNDA (Analyse van de Collectievorming met Nummerieke Data) 14 - om de collecties en de huidige collectievorming in kaart te brengen, zijn er landelijke overleggroepen actief bezig hun collecties en collectievorming in kaart te brengen, maar door gebrek aan financiële armslag valt er nog weinig af te stemmen en ook niet veel meer uit te wisselen. Bibliotheken hebben de afgelopen jaren op ruime schaal zowel lokaal als interlokaal ontdubbeld en de overlapping tot het noodzakelijke teruggebracht. CvC kan dus nog weinig soelaas bieden. Dit is echter geen reden om bij de pakken neer te zitten, want op bestuurlijk niveau - het Ministerie van OC&W, de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) en de Stuurgroep IWI (Innovatie Wetenschappelijke Informatievoorziening) - is men er inmiddels ook van doordrongen dat de bibliotheekvoorzieningen worden uitgehold en vanuit die hoek zijn enige positieve reacties gekomen.

Het rapport Men weegt kaneel bij ´t lood (februari 1995) van de Commissie Vonhoff gaf een belangrijke aanzet tot nadere bezinning in universitaire kringen op (onder meer de bibliothecaire) voorzieningen voor de Geesteswetenschappen 15. In juni 1996 sloten de vijf klassieke universiteiten (Groningen, Leiden, Nijmegen, Utrecht en Amsterdam UvA) met OC&W een convenant om een breed, gedifferentieerd en landelijk afgestemd aanbod van Letterenstudies in stand te houden. Deze afspraak geldt ook voor de bibliotheekvoorzieningen. In september 1996 kwamen vertegenwoordigers van de besturen van de KNAW, NWO, de KB en de Stuurgroep IWI bijeen om over de bibliotheekvoorzieningen in de Geesteswetenschappen te spreken in vervolg op het rapport Collecties op achterstand 10. Op 1 november 1996 heeft de KB in samenspraak met IWI het projectvoorstel Bibliotheekvoorziening Geesteswetenschappen. Plan van aanpak voor landelijk collectiemanagement ingediend bij IWI. De KB is in mei 1997 met het project begonnen en dit is in maart 1998 afgerond met een eindrapport16. Het plan bevat een taakverdeling tussen de zeven bibliotheken met grote humanioracollecties (UvA, VU, RUG, UL, UU, KUN en KB), gebaseerd op het aantal leeropdrachten voor de geesteswetenschappelijke vakgebieden, de aanschafbudgetten en de niveaus van de collectievormingsprofielen. De aandacht richtte zich voornamelijk op het inventariseren van bestuurlijke standpunten over de geesteswetenschappelijke bibliotheekvoorziening en van de visies op landelijke afstemming bij de collectievorming in relatie tot onderwijs en onderzoek. Hiertoe zijn bezoeken gebracht aan bibliothecarissen, besturen van de faculteiten Letteren, Wijsbegeerte en Godgeleerdheid en de Colleges van Bestuur van de zes betrokken universiteiten (Leiden, Utrecht, Groningen, Amsterdam: UvA en VU, en Nijmegen). NWO heeft op grond van het bestuurlijk commitment van de zeven participanten medio 1998 een bedrag van 5 miljoen gulden voor de uitvoering in de periode 1998-1999 beschikbaar gesteld, conform de verdeling in het plan van aanpak. Dit bedrag kwam ten goede aan landelijk aanvullende collectievorming van met name studie- en specialistisch onderzoeksmateriaal ten behoeve van de bibliotheekvoorziening geesteswetenschappen (BGW). De feitelijke uitvoer startte in november 1998 en liep door tot eind 2000. Doordat het bedrag voor de eerste fase in relatief korte tijd moest worden besteed, heeft er grote druk gestaan op de uitvoering. De bibliotheken hebben een eigen bijdrage geleverd door de kosten van selectie, verwerking, bindwerk, opslag en IBL voor eigen rekening te nemen. Vanwege het incidentele karakter van de subsidie is dit voor het grootste deel besteed aan monografieën. In totaal zijn er 37.660 publicaties aangeschaft. De additionele financiering was deels bedoeld als inhaalslag, daarom hebben de bibliotheken ook antiquarisch aangeschaft. De deskundigheid van de vakreferenten zorgde voor het juiste evenwicht tussen verbreding van de landelijke collectie en beschikbaarheid. De positieve effecten van de uitvoering van het plan zijn gebleken uit een statistische analyse van landelijke gegevens in het GGC met behulp van AnaCoNDA-rapportages. De nationale collectie geesteswetenschappen is in ruim een jaar gegroeid en verbreed door een toename van het aandeel van unieke titels en een afname van meervoudige aanschaf van dezelfde titels. In april 2001 is tijdens een overleg tussen het Algemeen Bestuur van NWO en de Stuurgroep IWI besloten dat beide instellingen verder willen gaan met de uitvoering van BGW. De verdere uitvoer wordt opgesplitst in twee tranches met een tussentijdse evaluatie. De eerste tranche zal uitgevoerd worden in de periode juli 2001 - juli 2004 en zal een investering omvatten van 7 miljoen gulden. De extra middelen zullen ditmaal ook worden gebruikt voor tijdschriftabonnementen en vooral voor licenties op elektronische informatiebestanden: het aanbod van elektronische informatie op het gebied van de geesteswetenschappen is de laatste jaren explosief gegroeid. Voor deze bestanden zullen consortiumlicenties worden afgesloten, zodat de informatie beschikbaar zal zijn voor de gebruikers van alle zeven deelnemende bibliotheken. NWO dringt aan op een structurele financiering door de instellingen en stelt dan ook 5,5 miljoen gulden ter beschikking onder voorwaarde dat de instellingen via IWI 1,5 miljoen gulden zelf bijdragen. De tussentijdse evaluatie van 2004 moet aantonen dat de instellingen de structurele kosten kunnen opbrengen. Alleen dan wil NWO ook aan de laatste tranche bijdragen. De bijdrage aan de landelijke voorziening van elke deelnemer afzonderlijk zal worden bepaald door toepassing van de verdeelsleutel uit het plan van aanpak.

Vanuit een andere invalshoek, namelijk technologische innovatie en de daaraan gerelateerde nieuwe mogelijkheden, onderschreef de Stuurgroep IWI in De grensverleggende bibliotheek (mei 1995) het belang van toegankelijkheid en beschikbaarheid van relevante informatiebronnen en dus van collectievorming - van gedrukt én elektronisch materiaal - binnen de wetenschappelijke informatievoorziening. Alle instellingen zijn bezig een eigen digitale bibliotheek te bouwen en gezamenlijk leggen zij zich toe op het ontwikkelen van een landelijke Virtuele Wetenschappelijke Bibliotheek (VWB). Bij het realiseren van de VWB wordt voortgebouwd op de in het kader van de NCC gerealiseerde voorzieningen. De landelijke ontsluiting via de NCC wordt verrijkt met een landelijke meta-catalogus die verwijst naar voor de wetenschap relevante informatie (nationaal en internationaal) die niet in de NCC zijn opgenomen en die via de netwerken beschikbaar en opvraagbaar is. Een landelijk netwerk van digitale bibliotheken bij de instellingen en een landelijke Virtuele Wetenschappelijke Bibliotheek kan de coördinatie van de collectievorming tussen de instellingen van wetenschappelijk onderwijs ten goede komen, zowel op het terrein van de elektronische als de gedrukte informatie. Dit netwerk en de landelijke VWB zouden samen tenminste 90% van de informatiebehoefte bij de universiteiten afdekken. Het in 1995 door Pica geïnitialiseerde WebDOC-project kan gezien worden als een stap op weg naar de virtuele wetenschappelijke bibliotheek. In dit project werken een Nederlandse, Duitse en Amerikaanse universiteiten samen met een aantal grote uitgevers om documenten in elektronische vorm direct - al dan niet tegen betaling - aan de gebruiker beschikbaar te stellen. Het WebDOC-project werd afgesloten met een conferentie op 18-19 november 1997 in Groningen.

Tot slot

Door de snelle ontwikkelingen op het gebied van de informatietechnologie ontwikkelen bibliotheken zich tot informatiecentra. Dit heeft ook zijn uitwerking in de structuur van de organisatie. Onderlinge communicatie is een van de noodzakelijke ingrediënten om de veranderende rol goed te kunnen vervullen. Er wordt dan ook meer en meer in teamverband gewerkt, er worden commissies ingesteld of projectgroepen in het leven geroepen, bestaande uit medewerkers van verschillende afdelingen. Dit vereist een andere inzet/instelling van de medewerkers. Voor vakreferenten betekent dit dat zij zich breder moeten oriënteren om zich te ontwikkelen tot informatiespecialisten. De kerntaak van vakreferenten is: gebruikers zo efficiënt en economisch mogelijk toegang tot en levering van de grootst mogelijke hoeveelheid gewenste informatie verschaffen in welk formaat dan ook. Dit betekent dat vakreferenten zich pro-actief dienen op te stellen, dat wil zeggen goed geïnformeerd zijn over het veelzijdige aanbod om informatie snel op te kunnen sporen wanneer er om gevraagd wordt, en kostenbewust om informatie tegen een redelijke prijs te kunnen leveren. Zij moeten evenveel weet te hebben van elektronische diensten en produkten als van gedrukt materiaal. Zij moeten ook bekend zijn met de mogelijkheden en beperkingen van het IBL en van de (commerciële) documentleverantiediensten, want deze spelen een steeds belangrijker rol in de aanschafbeslissingen voor de lokale collectie. Vakreferenten moeten ook het gebruik van de collecties regelmatig toetsen om verantwoord beslissingen te kunnen nemen welke titels tot de kerncollectie behoren en dus in ieder geval aangeschaft moeten worden en welke via IBL/documentleverantie verkregen kunnen worden. Deze kosten-baten analyses (de kosten van aanschaf en documentleverantie tegenover lokaal gebruik) zullen een steeds grotere rol gaan spelen in de meer marktgerichte bedrijfsvoering van de bibliotheken. Het aanschafbudget moet niet alleen verdeeld worden over boeken, tijdschriften en uitgaven voor documentleverantie. Er komt ook steeds meer elektronisch materiaal (teksten en gegevensbestanden) op de markt. De vakreferent moet de juiste balans zien te vinden tussen de aanschaf van gedrukt en elektronisch materiaal en toegangs- en licentiekosten. Tegelijkertijd is samenwerking met andere bibliotheken noodzakelijk om die informatiebronnen op te sporen die niet verkrijgbaar zijn via het commerciële circuit. Sommige vakreferenten gaan gebukt onder de geschetste ontwikkelingen, maar velen - en niet alleen de nieuwkomers - ervaren het als een uitdaging en mogelijkheid om hun blik te verruimen.

Noten & literatuur

  1. Hitchingham, E., Collection management in light of electronic publishing. Information Technology and Libraries, 15(1996)1, 38-41.
  2. Licensing principles : guidelines and checklist for libraries
  3. Wereldwijd bleek er behoefte te bestaan aan richtlijnen voor het schrijven van een beleidsplan voor de collectievorming. Een aantal leden van de sectie Acquisition & Collection Development van IFLA schreef een beknopte handleiding die ook vertaald is in het Frans en Spaans.
  4. Bakker, T., Collectieprofielen in bibliotheken. In: G.M. van Trier, D.K.W. Jansen, H. Prins (red.), Handboek informatiewetenschap voor bibliotheek en archief. Houten [etc.] : Bohn Stafleu Van Loghum, 1996-... Oktober 1998b. IV D 200, 1-21.
  5. Skinner, R., Collecting bits: the Internet as a library resource. Collection Management, 21(1996)3/4, 121-137; en: Collection development: past and future / [ed. M. Pasteen]. New York [etc.] : The Haworth Press, Inc., 1996, 121-137.
  6. Peereboom, M., Renardus: de slimme route naar informatie. Informatie Professional, 5(2001)1, 26-29.
  7. Fallows, J., Navigating the Galaxies. The Atlantic Monthly, 277(April 1996), 104.
  8. Carlson, S., JSTOR's Journal-Archiving Service Makes Fans of Librarians and Scholars. The Chronicle of Higher Education July 27, 2001.
  9. Bowen, W.G., The Academic Library in a Digitized, Commercialized Age: Lessons from JSTOR. ALA Midwinter Participants' Meeting (based on Romanes Lecture, delivered at Oxford University, October 17, 2000), January 14, 2001.
  10. Noordermeer, T., Het reguleren van de tand des tijds. Aspecten van deponering en archivering van digitale bestanden. Informatie Professional, 2(1998)10, 38-41.
  11. Voorbij, H.J. [eindred.], Collecties op achterstand: buitenlandse wetenschappelijke literatuur in Nederlandse bibliotheken. Den Haag : Koninklijke Bibliotheek, 1996, 140 p.
  12. Mogge, D., Seven Years of Tracking Electronic Publishing: The ARL Directory of Electronic Journals, Newsletters and Academic Discussion Lists. Library Hi Tech, 17(1999)1, 17-25.
  13. De discussielijsten worden sinds 1992 ook gepubliceerd in de Directory of Scholarly and Professional E-Conferences.
  14. Laarhoven, P. van, Anaconda. Een standaardpakket voor het beschrijven van de feitelijke collectievorming. Open, 26(1994)12, 408-410.
  15. Men weegt kaneel bij ´t lood. Rapport van de Commissie Toekomst van de Geesteswetenschappen, [voorzitter: H.J.L. Vonhoff]. Utrecht, 1995, 56 p.
  16. Bibliotheekvoorziening Geesteswetenschappen. Plan van aanpak voor landelijk collectiemanagement, opgesteld door de Koninklijke Bibliotheek in het kader van het Jaarplan IWI 1997. Eindrapport. Den Haag : Koninklijke Bibliotheek, maart 1998, 54 p.

Bijgewerkt Januari 2002